23 september 2004 - Het Openbaar Ministerie (OM) onderzoekt of de 18-jarige Samir A. nog handlangers heeft gehad bij zijn voorbereidingen voor aanslagen in Nederland. Het is nog niet duidelijk of dit iets oplevert. Dat is donderdag gebleken tijdens de pro forma-zitting van de rechtbank in Rotterdam in de zaak tegen de van terrorisme verdachte man.
De rechters besloten donderdag dat A. in voorarrest moet blijven en in het Pieter Baan Centrum (PBC) moet wordt onderzocht. Het PBC is de observatiekliniek van justitie.
Omdat de verdachte van Marokkaanse afkomst tot nu toe gebruik maakt van zijn zwijgrecht, is het volgens officier van justitie R. Lambrichts moeilijk om een beeld van zijn geestelijke gesteldheid te krijgen. Daarom vroeg hij om de observatie.
De advocaten van A. hebben zich donderdag tegen het onderzoek in het PBC verzet. Zij vinden dat er geen aanwijzingen zijn dat hun cliënt een geestelijke stoornis heeft. Samir A. zei tijdens de zitting zelf ook dat hij op geen enkele manier wil meewerken aan een onderzoek in het PBC en dat hij zolang het onderzoek duurt, zal blijven zwijgen.
Het OM verdenkt Samir A. concreet van het voorbereiden van aanslagen op overheidsgebouwen zoals de Tweede Kamer, de kerncentrale in Borssele, de luchthaven Schiphol, het ministerie van Defensie en het gebouw van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Bij de doorzoeking van zijn huis vond de politie onder meer plattegronden van deze gebouwen. Die waren voorzien van aantekeningen over bijvoorbeeld bewaking en een eventuele noodzaak voor het gebruik van een auto. Ook vond de politie twee patroonhouders voor automatische wapens, een flesje gevuld met stoffen en voorzien van bedrading. Tevens troffen de politiemensen een kogelwerend vest, een nachtkijker, ammoniak, zoutzuur en een handgeschreven testament van Samir aan. Daarin staat dat hij wil dat zijn pasgeboren kind moet worden opgevoed in de geest van de jihad, de heilige oorlog tegen de ongelovigen.
De advocaten van Samir A. hebben donderdag tevergeefs gevraagd om het voorarrest van hun cliënt te schorsen, omdat er volgens hen nauwelijks bewijs voor de aanklachten is. De in beslag genomen voorwerpen zeggen niets, menen ze. ,,Daarmee kan geen bom worden gemaakt.''
De aanklager wil juist voorkomen dat Samir A. weer vrij komt, omdat bij hem het beeld is ontstaan van een jongeman die recht op zijn doel afgaat: het plegen van een aanslag. Volgens Lambrichts is het de tweede keer in korte tijd dat Samir A. is aangehouden voor het voorbereiden van terroristische daden. Hij vreest dat de verdachte weer door zal gaan met zijn voorbereidingen voor aanslagen, als hij op vrije voeten komt. De rechters vinden de verdenkingen tegen A. te ernstig om hem vrij te laten. De politie arresteerde Samir A. op 30 juni voor zijn mogelijke betrokkenheid bij een gewapende overval op een supermarkt. Hiervoor moet hij zich ook bij de rechter verantwoorden.
Het oppakken van de 18-jarige man was naast informatie uit binnen- en buitenland aanleiding voor het ministerie van Binnenlandse Zaken om van een verhoogde terroristische dreiging voor een aantal specifieke locaties te spreken. Later werd bekend dat op 30 juli in Rotterdam ook nog vier mannen waren aangehouden, van wie justitie ook vermoedt dat ze een aanslag in ons land aan het voorbereiden waren.
Samir A. is een bekende van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Hij werd op 17 oktober 2003 ook al gearresteerd. Toen bereidde hij volgens de dienst met vier anderen een terroristische daad in Nederland voor. Destijds werden zoutzuur en kunstmest bij de verdachten in beslag genomen. Alle verdachten zijn toen vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. De zaak is voor onbepaalde tijd aangehouden. 
|